print-vriendelijke pagina

Verslag van Felikat's themamiddag 13 mei 2006: Verantwoord fokken

uit: Felikat Magazine nr. 3-2006

Verantwoord fokken, het behoud van rassen

Natasja Vodegel en Monique Beekmans


Op zaterdag 13 mei organiseerde Felikat de lezing “Verantwoord Fokken” te Eemnes waar zo’n 100 belangstellenden kwamen luisteren naar ir. Ed.J. Gubbels (populatiegeneticus, verbonden aan het instituut Genetic Counselling Services) die was uitgenodigd als spreker over dit boeiende onderwerp.

Allereerst gaf de heer Gubbels aan hoe de fokkerij van “zuivere rassen” al voor 1900 is ontstaan en dat in die begintijden iedere fokker zijn eigen inteeltlijn had met een geheel eigen gezicht. Liep de fokker vast met zijn eigen lijn, dan ging hij naar de fokker verderop en haalde daar zijn “nieuwe bloed”. Naarmate de mensen mobieler werden, gingen steeds meer fokkers naar dezelfde lijnen voor hun nieuw fokmateriaal en veranderden de rassen steeds meer in één grote inteeltlijn.

Inteelt discrimineert niet, je kunt door inteelt toe te passen niet “alleen maar” de gewenste genenparen vastleggen in je lijn. Inteelt heeft invloed op letterlijk alle genenparen: de veranderingen die we voor de gewenste kenmerken bereiken, treden net zo hard op voor alle ongewenste kenmerken. Dus ook de ongewenste eigenschappen worden vastgelegd in de lijn.
Het niveau van inteelt drukken we uit in de inteeltcoëfficiënt. Het is de maat waarmee we de toegenomen homozygotie aangeven. Het is de kans op een genenpaar waarvan de allelen identiek door afstamming zijn. In natuurlijke populaties vindt een constante selectie plaats tegen erfelijke gezondheids- en welzijnsstoornissen, daardoor blijven frequenties van erfelijke afwijkingen laag, meestal drukken we die uit in fracties van promillen.
Bij gedomesticeerde populaties daarentegen wordt de natuurlijke selectie (ten dele) vervangen door kunstmatige selectie, daarmee nemen de frequenties van erfelijke afwijkingen toe: we spreken al gauw over fracties van procenten. Er worden bij kunstmatige selectie een aantal natuurlijke selectie-mechanismen uitgeschakeld. Denk bijvoorbeeld ook aan hulp bij bevallingen door weeënopwekkende middelen, keizersneden en flessen van kittens. Immers, zonder keizersnede overlijdt dit moederdier in de natuur en zonder flesvoeding zouden deze kittens niet overleven.

Met de selectiemethoden die wij toepassen kunnen we niet de negatieve effecten compenseren die we door inteelt veroorzaken, we selecteren pas tegen problemen nadat we gemerkt hebben dat ze er zijn, en op die vele duizenden “onopgemerkte” genen hebben we geen enkele invloed. Bovendien, met onze extreme selectie ten gunste van biologisch niet-relevante (en soms zelfs schadelijke) exterieurkenmerken ontstaat een onverantwoorde toename van het inteeltniveau en (mede daardoor) het verlies van erfelijk variatie. Hierdoor nemen frequenties van erfelijke afwijkingen verder toe, tot veelvouden van procenten. Bij rashonden en raskatten komt daarbij ook nog overtypering:  overdrijving van exterieur-kenmerken zoals verkorte schedels met hun ademhalingsproblemen en uitpuilende (en soms zelfs uit de oogkas vallende) ogen, de open fontanellen bij te kleine rassen en maagtorsies, heup- en elleboogproblemen bij te grote en te zware rassen en de geboorteproblemen bij allerlei rassen met een “karikaturaal” exterieur (denk hierbij aan de Bulldog met de steeds groter wordende koppen waardoor zij niet meer op natuurlijke wijze geboren kunnen worden).

Inteelt leidt tot twee soorten problemen:
1e direct merkbaar is de toename van erfelijke afwijkingen (denk hierbij aan epilepsie, PRA, erfelijke doofheid, PL, PKD, maar ook de moeilijker herkenbare polygene  afwijkingen zoals HCM, HD, spijsverteringsstoornissen, een aantal vormen van atopie/allergie, etc.).
2e minder direct merkbaar voor de fokker, maar op wat langere termijn krijgen we te maken met vitaliteitverlies. Hierbij gaat het om verhoogde ziektegevoeligheid, een verkorte levensduur, toenemende angst en nervositeit en een afnemende vruchtbaarheid. Dit laatste kan heel breed genomen worden en heeft invloed op alle fasen van het voortplantingsproces: minder geövuleerde eicellen, minder bevruchte eicellen, minder geïmplanteerde eicellen, grotere prenatale sterfte, geboorteproblemen, afnemend kwaliteit van de moederzorg. Allemaal leidend tot kleinere gespeende nesten.

Doordat inteelt niet selectief werkt en invloed heeft op letterlijk alle genenparen, blijkt de toegepaste (individuele) selectie niet te voldoen om de negatieve effecten van het voortdurend toenemende inteeltniveau te compenseren.  De meeste erfelijke problemen merken we pas op nadat ze wijdverbreid zijn en daardoor vrij onbeheersbaar zijn geworden. Vaak wordt gezegd: “Nee hoor, dit soort zaken komen in ons ras niet voor!” Echter het probleem wordt pas echt goed zichtbaar op moment dat er daadwerkelijk onderzoek naar gedaan wordt en er gemeten wordt. Dan pas wordt echt duidelijk in hoeverre inteelt een probleem is. In de kattenfokkerij  wordt er nog te weinig aan dit soort onderzoek gedaan. Bij een aantal hondenrassen is er inmiddels wèl al onderzoek gedaan:

Percentages honden met problemen:

Ras

# honden

Huid &  haar

Wervelkolom

Lede-maten

Ogen & Gezicht

Oren & Gehoor

Hart & Bloedv.

Spijsvert

Berner Sennenhond

535

15,3

3,4

28,0

6,9

6,2

0,8

11,4

Boxer

910

15,2

4,0

11,4

4,0

4,6

15,4

7,8

Duitse Dog

715

14,2

13,4

15,9

10,4

3,8

8,3

17,2

Leonbergse Hond

320

12,8

2,8

26,3

7,3

5,3

2,5

6,9

Newfoundlander

803

17,6

2,4

23,7

3,0

10,6

5,7

 5,7

Staffordshire Bull Terr.

279

12,9

0,7

5,7

1,8

0,7

0,0

1,1

West Highl. White Terr.

1099

31,2

 0,6

6,9

1,8

10,1

0,8

12,1

Dashond (korthaar)

78

10,3

12,8

1,3

1,3

0,0

1,3

6,4

Dashond (langhaar)

258

10,1

8,9

1,6

4,3

2,3

1,2

3,9

Dashond (ruwhaar)

482

7,1

13,1

1,7

2,7

1,5

1,5

5,6

Chow Chow

306

21,9

1,6

22,2

30,4

3,6

 0,3

4,6

Golden Retriever

952

21,5

1,2

10,6

2,7

6,2

1,2

6,5

Cavalier King Charles

434

16,1

12,0

7,6

12,7

12,4

12,2

10,4

Shih Tzu

274

17,9

4,9

4,7

17,9

 4,7

 0,7

6,6

Om te laten zien dat selectie kan helpen om het aantal lijders aan een recessieve aandoening te beperken moeten we gebruik maken van een rekenmodel. In de populatiegenetica is dat de Wet van Hardy en Weinberg. Deze onderzoekers ontwikkelden een model waarmee je veranderingen in gen- en genotypenfrequenties kunt beschrijven en waarmee de effecten van invloeden op populaties (zoals selectie) zichtbaaar kunt maken. De basis in dit model is dat de genotypenfrequenties (voor AA, Aa en aa) elke generatie opnieuw p2, 2pq en q2 zijn, waarbij p de frequentie is voor het gen A en q voor het gen a (met p+q=1).

Stel dat een willekeurige aandoening “X” homozygoot recessief vererft. Als 4% van de populatie het gen voor de aandoening in homozygoot recessieve toestand heeft (en dus lijder is), dan wil dit zeggen dat 32% van de populatie drager is van dit gen. Best veel, of niet?
Ga je vervolgens selecteren tegen dit gen door alle lijders uit te sluiten van de fokkerij, dan heb je na 10 generaties nog steeds ruim 12% dragers en na 40 (!) generaties nog ruim 4%. We kunnen door het toepassen van selectie het percentage lijders flink verminderen echter, we raken we erfelijke problemen nooit kwijt. Bovendien, iedere keer dat een heterozygoot, ofwel een drager, ingezet wordt voor de fok, krijgt 50% van de nakomelingen het foute gen mee. Zie ook onderstaande tabel:

populatie-model: selectie 
Selectie tegen de homozygoot recessief
 
            Frequenties van de genen                       Frequenties van de genotypen
 
Generatie:   freq.(A) freq.(a)  freq.(AA)              freq.(Aa)          freq.(aa)
                          = p         = q       = p2                       = 2pq                  = q2

    0               0,8000  0,2000  0,6400                         0,3200           0,0400
    1               0,8333  0,1667  0,6944                         0,2778           0,0278
    2               0,8571  0,1429  0,7347                         0,2449           0,0204
    3               0,8750  0,1250  0,7656                         0,2188           0,0156
    4               0,8889  0,1111  0,7901                         0,1975           0,0123
    5               0,9000  0,1000  0,8100                         0,1800           0,0100
    6               0,9091  0,0909  0,8264                         0,1653           0,0083
    7               0,9167  0,0833  0,8403                         0,1528           0,0069
    8               0,9231  0,0769  0,8521                         0,1420           0,0059
    9               0,9286  0,0714  0,8622                         0,1327           0,0051
  10               0,9333  0,0667  0,8711                         0,1244           0,0044
     
  20               0,9600  0,0400  0,9216                         0,0768           0,0016

  30               0,9714  0,0286  0,9437                         0,0555           0,0008
     
  40               0,9779  0,0222  0,9563                         0,0435           0,0005

Wat kunnen fokkers doen om de problemen binnen hun ras te voorkomen en te verkleinen?
Allereerst een ander fokbeleid: andere prioriteiten stellen aan het fokdoel (éérst het dier, dan pas “het karkas”), populatiebeheer introduceren (beperking van de inzet van fokdieren, inteelt zo veel mogelijk vermijden) moderne selectiemethoden introduceren (fokwaardeschattingen, genetische risicoberekeningen, testen d.m.v. echo’s en DNA-markers, waarbij de dieren geïdentificeerd moeten zijn en de metingen gecertificeerd).

Door te meten kan vastgesteld worden hoe groot het probleem is binnen een populatie. Hoe groter het probleem, hoe terughoudender er geselecteerd moet worden. Hoe groter de basis is hoe strenger er geselecteerd kan worden. Soms moeten er concessies gedaan worden ten aanzien van de rasstandaard om de gezondheid te verbeteren (bijvoorbeeld door middel van outcross met een ander ras). Maar om daarna weer terug te keren naar het exterieur-ideaal, zou een proces van vele generaties moeten zijn en niet een kwestie van één stapje terug en dan snel weer tien sprongen vooruit.  

Maar ook samen de verantwoordelijkheid nemen is belangrijk! Denk hierbij aan op de eerste plaats natuurlijk de individuele fokkers, maar ook de rasverenigingen waarbij zij zijn aangesloten en de eventueel overkoepelende organisatie, de keurmeesters en dierenartsen, maar ook de overheid.
Door goed samenwerken, goede selectiemethoden en gezondheid en welzijn van het dier voorop te stellen, worden de eerste stappen gemaakt op het pad van het verantwoord fokken.


klik hier om terug te gaan